Wil je gelijk of wil je geluk?

“Waarom zet je de temperatuur van de oven niet wat hoger?”

“Om het langzaam te laten garen, anders is het vanbinnen nog niet goed.”

“Nee hoor, dat is niet nodig, het lukt zo ook.” En ik draai de knop hoger.

Ik weet het beter.

Nee, ík weet het beter!

Kibbelende koppels. 🙂

Strijden om het gelijk.

Strijden om de macht.

Een groot woord misschien.

En toch.

Soms is het ook groot. Vaak is het veel subtieler.

Kleine conversaties die omwille van een drukke werkdag misschien, of vermoeidheid, of gewoon uit gewoonte, uitmonden in een strijd om het gelijk.

Ik ken die valkuil goed.

Als mijn vriend en ik te veel in dit soort reactiviteit vervallen, dan word ik daar na een tijdje verdrietig van.

Strijden om het gelijk creëert een kloof.

Dat is toch mijn ervaring.

Twee partijen tegenover elkaar.

Ik wil mijn gelijk halen.

Hij wil ook gezien worden.

Ik win, of hij wint.

Bindt hij in, dan voel ik een korte triomf. Is hij sterker, dan word ik nukkig en boos. De toon is gezet, de sfeer bepaald.

Volgende triviale situaties verlopen makkelijk in hetzelfde kibbelende stramien. Want de één wil het de ander eigenlijk betaald zetten.

Maar wil ik dit echt?

Wat wil ik?

Wil ik gelijk of wil ik geluk?

Wil ik verbinding of wil ik aan het langste eind trekken?

Wat ben ik met dat langste eind, als de ander berooid achterblijft? Zich gepasseerd voelt. Niet gehoord. Niet serieus genomen?

Dat is die kloof.

Zelfs als het gaat om zoiets onnozel als de temperatuur van de oven.

Kibbelen is toxisch. Op den duur.

Toxisch voor de liefde.

Toxisch voor geluk.

Stephen Covey zou dit beamen (auteur van één van mijn favoriete boeken “De 7 eigenschappen voor succes in je leven”).

Tussen 2 mensen in een relatie is er sprake van een “emotionele bankrekening”, schrijft hij. Je kunt stortingen doen op die rekening, of opnames.

Je krediet is niet eindeloos. Als je te veel opneemt, dan raakt je krediet opgebruikt bij de ander. Het vertrouwen raakt aangetast.

Doe je veel stortingen (bvb door echt te luisteren of door oprecht vrijgevig te zijn), dan wordt de band hechter en het vertrouwen dieper. Dan kan even kibbelen minder kwaad omdat je krediet hebt bij de ander, hoewel het nog steeds een opname blijft.

Je oprecht excuseren achteraf is een enorme storting, schrijft hij ook nog.

Gelukkig maar. 🙂

Wat wil je dus?

Wil je gelijk of wil je geluk?

Is het nodig zo vaak “ja, maar” te zeggen?

Of “nee, het is zó”?

Hoe zou het zijn om te zeggen: “Oké.”

Of zelfs “Mmm, zo had ik het nog niet bekeken.”

Hoe zeker ben ik van mijn beter-weten?

(Misschien leer ik wel iets bij!) 😉

Ik heb wel graag controle, moet ik toegeven.

Het voelt fijn als de ander het doet op mijn manier.

Maar dat is een schrale troost.

Kibbelen is een egokwestie.

Op welke slakken leg je zout?

Wil je je gelijk doorduwen? De ander veranderen?

Of die in zijn waarde laten?

Ik vind het mooi hoe Jack Kornfield, een bekend meditatieleraar uit de VS, het verwoordt in één van zijn boeken:

We learn to see with the heart, which loves, rather than with the mind, which compares and defines.

Het is het verschil tussen afgescheiden zijn, of verbonden.

Tussen tegenover elkaar of met elkaar.

Tussen gelijk en geluk.

2 gedachten over “Wil je gelijk of wil je geluk?

  1. Lieve De Deken

    Lotte,
    dank voor deze prachtige tekst (alweer): zo integer, zo waar, zo herkenbaar ….
    En dank voor het delen van de mooie quote van Jack Kornfield die het telkens weer zo treffend kan verwoorden.
    Dank

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.